I LOVE CANADA!!!

’s Ochtends om 6.00 uur word ik wakker van de lokale toeristen die sinds eergisteren intrek hebben genomen in het guesthouse waar ik me ook bevind. Dit prachtetablissement bevindt zich in Lamayuru. Mijn kamer ruikt naar kistkalf en de vloerbedekking moet nog op maat worden gesneden. Vlak voor mijn niet sluitende kamerdeur wordt de vergadering geopend. Opgewonden wordt er gediscussieerd over de toestand in de wereld. Of over iets anders, ik heb geen flauw idee eigenlijk. Tijdens hun levendige dialoog trachten alle mannen in het gezelschap zich zo'n 40 minuten lang leeg te rochelen. Vanuit hun tenen proberen ze het lijf inwendig te reinigen, elke holte tot op de laatste druppel op te schonen. Het kan niet anders dan dat een enkeling per ongeluk een vitaal orgaan mee ophoest. Kijken of ik straks zonder uitglijden bij de terrastuin kom.

De terrastuin is een onverharde oppervlakte van 25 vierkante meter met plastic tuinstoeltjes waar een grote man met een Batman-pet de bestellingen opneemt voor ontbijt, lunch of avondeten. Vanuit het kleine keukentje, waar tot sluitingstijd overigens ook continue wordt gerocheld, worden met schaarse middelen prima maaltijden uitgeserveerd. Als je vroeger dan verwacht aanschuift voor het ontbijt, haalt Batman de jonge kok uit zijn bed die dan met dikke slaapogen, de haren richting het noordwesten en broek nog halverwege de bilspleet aan komt hollen. Lamayuru is een klein dorpje op 5 uur rijden van Leh, en op nog maar 80 kilometer van de Pakistaanse en Chinese grens. Het is omringd met woeste bergen en een maanlandschap dat in de verte doet denken aan een opgeblazen variant op Cappadocië. Bovenin het dorp leunt een eeuwenoud klooster op een smalle rotsformatie. Daaronder bevindt zich een schitterend doolhofje wat het middeleeuwse en nog half bewoonde stadscentrumpje vormt. Dat is het zo ongeveer wel.

Vandaag ga ik met Björn, die ik op weg hier naar toe in de bus tegen kwam, een stevige wandeling maken. Björn heeft een fraaie omweg in gedachte die ons nog meer onvergetelijke uitzichten gaat bezorgen. Onvergetelijk wordt het zeker. Als ik op de eerste bergrug van zo'n 4000 meter hoogte zit, kijk ik aan elke kant in een hoek van 45 graden naar beneden. Een weinig aantrekkelijke positie voor iemand met serieuze hoogtevrees. Er volgen nog 2 van dit soort piekmomenten. Ondanks deze diepe ellende - die ik uiteraard had kunnen voorzien - en het veelal ontbreken van paden is het een fantastische tocht. De schaal van de vlaktes, bergen en dalen is moeilijk te bevatten omdat alles zó kolossaal groot is. Bij de laatste afdaling komen we in een smalle canyon terecht, uitgesleten door regen- en smeltwater. De canyon blijkt langer dan we denken en met het snel naderende hevige onweer is dat een vrij ongelukkige constatering. Van het moment dat de eerste druppel valt tot het moment dat we tot halverwege onze scheenbenen in de hard stromende modder wankelen, zijn er minder dan 10 minuten verstreken. Op sommige plekken buldert het modderwater in dikke stralen horizontaal van de berghellingen de canyon in. Als ik omkijk naar Björn die met een regenbroek staat te hannesen, zie ik grote plakken leisteen op hoge snelheid als frisbees de canyon inschieten. Vaak op hoofdhoogte. Alles wat enigszins los ligt op de hellingen wordt meegenomen. Dit levensgevaarlijke modderballet van hollen, struikelen, springen, glijden en strompelen duurt nog een half uur totdat we de gebedsvlaggetjes zien die het begin van de bewoonde wereld signaleren. Als twee modderworstelaars lopen we ongedeerd maar vooral buitengewoon opgelucht het dorpje Wanla binnen. Daar worden we allerhartelijkst ontvangen. Of nee, toch niet. We worden er schaamteloos uitgelachen. Mensen hangen uit de ramen, kinderen lopen achter ons aan. Het ziet er ook niet uit, de met modder besmeurde blanke lijven in technische kledij die zo nodig het avontuur moesten opzoeken. Prutsers.

Na een bakkie troostende thee (met honend publiek) lopen we terug richting Lamayuru en krijgen we een lift. In een Mahindra pick-up truck (Indiaas fabrikaat dat elke 500 meter anderhalf ons CO2 uitblaast) staan we in de laadbak tussen wat pluimvee en de lokale gemeenschap en zien we wat dit soort natte weersomstandigheden met het plaatselijke wegennet doet: het lijkt op een rampgebied: op links aan de bergkant de inmiddels tot stilstand gekomen lawines van gruis, stenen en rotsen die elke paar honderd meter de weg half blokkeren, op rechts hier en daar nog maar een halve weg die als zwevende plak asfalt boven de kolkende modderrivier hangt. Veel van de verticale rotswanden lijken op het punt te staan om zichzelf naar beneden te storten. Het is een waanzinnig spectaculair maar ook triest gezicht. Normaal gesproken zijn de korte zomers hier droog en warm maar klimaatveranderingen zijn ook tot in Ladakh doorgedrongen: het weer is volledig omgeslagen en het regent deze zomer vrijwel dagelijks in de veel valleien. Een gevolg is een enorme aanslag op het toch al povere wegennetwerk met als consequentie een halvering van het aantal toeristen in de regio. Reizigers met een krap schema kunnen zich het niet veroorloven om een paar weken vast te zitten in een bergdorp zonder functionerende communicatiemiddelen. De families die de guesthouses beheren moeten in de 3 zomermaanden hun inkomsten veilig stellen. Daarna wordt het winter en is er geen toerist meer te bekennen aangezien de temperatuur dan in sommige plaatsen tot onder de -50 graden Celsius kan dalen en Ladakh voor 9 maanden lang van de rest van de wereld is afgesloten. Een beroerde ontwikkeling voor de lokale ondernemers dus (en overigens ook voor alle andere bewoners wiens huizen helemaal niet bestand zijn tegen dit weertype).

Nadat we afscheid hebben genomen van het gezelschap in de pick-up, lopen we weer een half uurtje totdat we voor het laatste deel een lift krijgen in een kippenvrachtwagen zonder kippen. In de kleine cabine zitten we dan met vijf mannen. De middelste van ons heeft nu de versnellingspook tussen zijn benen. De jonge chauffeur is vastberaden om op de twee bemodderde Hollanders een onuitwisbare indruk te maken. De muziek gaat op verzengend hard en alle 14 claxonvarianten worden enthousiast gedemonstreerd. Wanneer de chauffeur merkt dat ik hierom moet lachen blijft de claxon 20 minuten lang ingedrukt totdat we in de eindbestemming Lamayuru zijn. Ondertussen wordt de Tata vrachtwagen (ook Indiaas fabrikaat met de schoorsteen van een steenkolencentrale als uitlaat) zo hard mogelijk door de bochten gehoekt. Vooral als de twee binnenste wielen loskomen kunnen we mooi het ravijn inkijken. Onze medeweggebruikers moeten alle zeilen bijzetten om ons furieuze vehikel te ontwijken.

Dit is niet mijn eerste maar absoluut wel mijn laatste lift in een Indiase vrachtwagen. Enkele dagen eerder lifte ik de laatste paar kilometer na een wandeling mee met een truck en rook op het moment dat ik de deur achter me dicht trok de snijdende geur van keiharde drank. “I LOVE CANADA!!”, riep de chauffeur tegen me. Of iets wat daar op leek. Dit stomdronken zelfmoordcommando bleef me aankijken om me schreeuwend te overtuigen van zijn liefde voor Canada terwijl hij de Tata instinctief op de weg leek te houden in de 27 haarspeldbochten die nog volgden. Net zoals die rit kwam mijn laatste rit in een lokale vrachtwagen ook tot een goed einde. Wat een mens dan doet, is een uurtje wezenloos voor zich uit staren. Mijn lotgenoot en ik bestellen ieder 650ml Godfather bier (met volgens het etiket ergens tussen de 5 en 8,5% alcohol) en laten de surrealistische gebeurtenissen van vandaag bezinken. De volgende namiddag zie ik Björn naar zijn borstbeen wijzen als hij een medereiziger uitlegt hoe hoog het het modderwater stond toen we ons door de canyon worstelden. Zo gaat dat met goede reisverhalen. Vraag het me nog eens rond de kerst..

Featured Posts
Recent Posts
Archive
Search By Tags
Follow Me
  • Instagram Social Icon
  • LinkedIn Social Icon
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square

All images & content © 2004-2018 Pol Rijnders