Nubra & Marvin

Nubra is een vallei in Ladakh op zo'n 3 kilometer hoogte. In feite is het een monsterlijke alpine woestijn die in de winter gehakt maakt van alle vegetatie. Maar in de korte zomer stromen massa’s smeltwater het dal in en veranderen de schaarse dorpjes in kleine oases. De inwoners zijn er boeddhistisch en in de hoofdstad Diskit wonen zo'n 1500 mensen. Met een vergunning die je in Leh kunt aanvragen, mag je er als buitenlander naar toe, wat nog niet zo heel lang geleden volstrekt onmogelijk was. De Khardung pas is de toegangspoort tot dit desolate landschap dat zomaar uit Star Wars of een reportage over de derde maan van Jupiter had kunnen komen. Khardung La - ‘La’ betekent (berg)pas’ - is een weg van wisselende kwaliteit. Op sommige plaatsen prima, op andere plaatsen hopeloos: dan is de weg een smalle strook puin tussen een bergwand en een helse afgrond. De top ligt op 5600 meter. Een hoger gelegen (met auto’s berijdbare) weg bestaat er in de wereld niet. Je brein kampt op die hoogte met een fors zuurstofgebrek waardoor je tollend een paar fotootjes maakt maar dan weer vrij snel je voertuig in- of opstapt en de vallei in reist. Overigens wordt in september de zogenaamde Khardung La Challenge georganiseerd: een loopwedstrijd met een lengte van 72 kilometer die ook over deze 5600 meter hoge bergpas leidt. Het is dat ik dan een festivalletje heb, anders had ik me zeker ingeschreven voor dit festijn van sportverdwazing.

Het kost wat tijd om het waanzinnige landschap dat je in de afdaling tegenkomt in je op te nemen. Het is er, op de oase-dorpjes na, droog en kaal maar vooral oogverblindend mooi. Op sommige plaatsen is de vallei zo breed dat er gemakkelijk een middelgrote Nederlandse stad in past. Er wordt geluncht op een plek waar je geen enkele levensvorm verwacht aan te treffen. Maar ik eet er een prima vegetarisch currietje. Voor het parachute-restaurant - na de zomer verdwijnt het weer - staat een scootertje. Daar blijkt de kok regelmatig de pas mee over te steken, al gaat dat nooit probleemloos. Van alles komt over die bergpas heen: vrachtwagens, vee, legervoertuigen, motoren, graafmachines, stokoude Suzuki Altootjes, bussen, toeristen in relatief luxe voertuigen en dus ook een enkel scootertje. Mooi om te zien, zeker als je uit een land komt waar mensen vierwielaangedreven SUV’s aanschaffen om de drempels in het woonerf mee te bedwingen.

Na de lunch rijden we nog uren door totdat we in bestemming Hunder aankomen. Voordat de dag eindigt in onze accommodatie, stoppen we bij wat zandduinen. Een fotogeniek maar vreemd fenomeen in dit landschap. Als er een vreselijke harde knal in de vallei klinkt, houd ik rekening met een Chinese invasie en inventariseer de vluchtroutes. Het blijken Indiase toeristen te zijn die zich vermaken met een potje carbidschieten. Ik ben in een heel raar pretparkje terecht gekomen, wat een nogal bevreemdend effect heeft in dit buitenaardse decor. De tientallen welgestelde Indiërs die hier uit het niets zijn verschenen, kiezen vooral voor het kameelrijden maar verkleden zich ook in de lokale dracht om dit moment van opperste lulligheid door vrienden en familie 1400 keer vast te laten leggen met ’s werelds meest geavanceerde smartphones. Blijkbaar is dit alles niets nieuws: de lokale geitenboer loopt ongestoord achter zijn dieren aan. Die trekken zich zelfs niets aan van het met regelmaat ontploffende carbid. Het is als carnaval op de Veluwe. Misschien leuk, vooral heel raar. Voor de Indiërs zijn er twee redenen om hier te komen. Allereerst is het klimaat in Ladakh relatief prettig: Stel je een bomvolle afgesloten Alphatent op Lowlands voor, op een regenachtige zomerse dag met een gevoelstemperatuur van 45 graden Celsius, de vloer bezaait met slachtafval en op maximaal vermogen draaiende dieselgenerators. Dat is zomer voor veel inwoners van India. Prima dus, die berglucht hier in Nubra. Als tweede zijn er veel bekende Bollywood films aan het nabij gelegen Pangong Lake opgenomen, met als hoogtepunt 3 Idiots met in de hoofdrol held Aamir Khan. Aan de rand van het meer staat iedereen dan het mierzoete sentiment uit favoriete films fotograferend te herbeleven. Wat Bollywood (voor beginners: een samenvoeging van Bombay en Hollywood) betreft: jaarlijks worden er zo’n vier miljard bioscoopkaartjes verkocht voor deze Hindi-talige films. Qua bezoekersaantallen is het daarmee met afstand ’s werelds grootste filmindustrie. Wat de Indiase toeristen betreft: die zijn net als veel Amerikaanse toeristen in eigen land: Busje uit, fotootje maken, busje in.

Ik overnacht met mijn reisgenoten, een Franse- en Italiaans-Hongaarse combinatie bij een familie die - net als veel andere inwoners van Ladakh - het avondeten voor 80% uit de tuin trekt. Alleen de rijst wordt elders gekocht. Bij de vegetable curry krijgen we chapati brood met wat zinderende pickle (een hete chutney). Met de curd (een soort yoghurt) bij het ontbijt heb ik wat meer moeite. Mensen die mij kennen, weten dat ik een zwak heb voor pittige zuivel maar dan vooral in de vorm van een dampende Franse kaas. Deze curd heeft echter al een stukje van het alfabet geleerd en loopt bijna zelfstandig van tafel af. Dat is ook bedoeling, legt de vader des huizes uit. Curd is een levend product. En dus lepel ik dapper door mijn bord witte drap heen in de hoop dat mijn darmflora niet ineens explosief in de bloei schiet en ik dubbelgevouwen terug de bergpas over moet.

Gelukkig kan ik de reis met een prima functionerend digestief systeem voortzetten. Eerst gaan we langs het 32 meter hoge beeld van de Maitreya, ofwel de toekomstige Buddha, die ons ooit de allesomvattende waarheid komt vertellen. In Diskit Gompa, het klooster uit de 14e eeuw ernaast, legt een monnik ons de symboliek van beelden en symbolen uit. De Gompa is prachtig. Gecharmeerd door onze interesse nodigt de monnik ons uit voor thee en een koekje. Op zijn slaapkamer van 6m2 zitten we op de grond en op zijn kleine bed. Gey Labzang Gyacho, zoals zijn volledige naam luidt, draagt rode plastic slippertjes met een smiley erop. Op een gasstel maakt hij lekkere thee met melk. De blik met koekjes gaat ook open. Die waren hoogstwaarschijnlijk heerlijk tot de houdbaarheidsdatum ergens rond de eeuwwisseling. Er wordt weinig gesproken maar we kijken vooral in het kamertje rond. Ik zie diverse technische hulpmiddelen: een zaklamp, telefoonlader, naaimachine, radio en een USB-luidsprekertje waarmee Marvin Gey Labzang in de kleine uurtjes misschien wel wat zoetgevooisde neo-soul beluistert. Verder wat keukengerei, leesvoer, foto’s van boeddhistische leiders, een gebedswiel, een wekker en een spiegel. Als je zijn slaapkamer uitloopt sta je op het dak van een deel van het klooster en kijk je de immense Nubra vallei in. Als ik me de winter op deze plek probeer voor te stellen zie ik de extreme soberheid van het monnikenbestaan voor me en neem me voor om onze groepsfoto naar Gey op te sturen. Toch wat gezelligheid in de barre wintermaanden. Overigens vraag ik me af of de foto’s op hun bestemming gaan aankomen: drie van de vier Ladakhi die ik foto’s heb beloofd, schreven enkel hun naam en dorp op een papiertje. Meer was er niet te vertellen over het adres. Nu maar hopen op flexibele postbodes.

Op de weg terug naar Leh let ik minder op de afgronden maar kijk vooral naar boven. Dat komt doordat er op een zeker moment wat puin naar beneden komt en een meter of 50 voor ons op de weg ploft. Sommige rotsen zijn groot genoeg om onze auto tot schroot te verpulveren. De veroorzaker is een enthousiaste meneer in een bulldozer die drie haarspeldbochten hoger de weg vrij probeert te maken van de resultaten van een landslide. Niemand lijkt te hebben bedacht dat het verstandig is om de weg tijdelijk af te sluiten of om een paar mannetjes strategisch op te stellen die waarschuwen voor de natuurlijke sloopkogels die omlaag kunnen komen. Ik houd nu de steile bergwanden geconcentreerd in de gaten. Op veel passages zie ik tienduizenden losliggende stenen, sommigen zo groot als een halfje tijgerwit, anderen als een Volkswagen Golf. Ze zijn heel erg ADHD en kiezen een volstrekt willekeurig moment om zich juichend omlaag te storten.

Als we de top van 5600 meter weer passeren komen we wat uilskuikens tegen die zich bovenop de bergpas laten afzetten om op een gemankeerde mountainbike naar beneden te suizen. Gezien het moorddadige karakter van omgeving, weg en weggebruikers een suïcidale missie. Ik vraag me af wat monnik Marvin Gey Labzang hier allemaal van vindt. Carbidschieten, verkleedpartijen, kameelrijden en mountainbike-suicide. Misschien is hij dolblij als het weer winter is en de toeristen vertrokken zijn. Hij doet voor 9 maanden de deur weer dicht, zet ‘n bakkie thee en trekt de doos met verse koek onder zijn bed uit. Groot gelijk Marvin…

Featured Posts
Recent Posts
Archive
Search By Tags